ECLI:NL:PHR:2008:BC0261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en verplichtingen van Bureau Jeugdzorg bij uitvoering omgangsregeling onder toezichtstelling
In deze zaak staat centraal of de niet met gezag belaste moeder rechten kan ontlenen aan een door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling die Bureau Jeugdzorg (BJZ) als gezinsvoogdij-instelling moet uitvoeren.
Na de echtscheiding verbleef de minderjarige zoon bij zijn vader en stond sinds november 2004 onder toezicht van BJZ. Het gerechtshof had in 2004 een omgangsregeling vastgesteld waarbij BJZ een begeleidende rol kreeg toegewezen. BJZ verzocht later de omgang tijdelijk op te schorten, wat deels werd toegewezen. Vervolgens weigerde BJZ mee te werken aan een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, waarop de moeder BJZ in kort geding dagvaardde.
De voorzieningenrechter beval BJZ medewerking, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering van de moeder af. De Hoge Raad stelt dat BJZ geen procespartij is in het geschil tussen ouders over omgang en dat BJZ niet verplicht is een rechterlijke omgangsregeling uit te voeren zonder wijziging door de rechter. BJZ kan wel een verzoek tot wijziging indienen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat BJZ in hoger beroep in de kosten wordt veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en veroordeelt Bureau Jeugdzorg in de proceskosten van het hoger beroep.