ECLI:NL:PHR:2008:BB9669
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herstel gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding ondanks ontbreken gezamenlijk verzoek
Deze zaak betreft een verzoek van de vader tot herstel van het gezamenlijk ouderlijk gezag over zijn minderjarige kinderen na ontbinding van het huwelijk. De moeder was aanvankelijk belast met het eenhoofdig gezag. De vader verzocht om het gezag gezamenlijk met de moeder uit te oefenen, hoewel de wet volgens artikel 1:253o lid 1 BW vereist dat een dergelijk verzoek gezamenlijk door beide ouders wordt ingediend.
Het hof oordeelde dat de eis van gezamenlijk verzoek strijdig is met het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, en verklaarde het verzoek van de vader ontvankelijk. Het hof wees het primaire verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag af, maar kende het subsidiaire verzoek tot gezamenlijk gezag toe, omdat dit in het belang van de kinderen werd geacht.
De moeder kwam in cassatie met meerdere klachten, waaronder dat het hof ten onrechte niet had vastgesteld dat sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden en dat het herstel van gezamenlijk gezag niet zonder instemming van beide ouders kon plaatsvinden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het gezamenlijk gezag na echtscheiding de hoofdregel is, en dat een verzoek tot herstel ook door één ouder kan worden ingediend. Het belang van het kind staat voorop, waarbij slechts een onaanvaardbaar risico op klem of verloren raken tussen ouders het gezamenlijk gezag kan verhinderen.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot herstel van het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt toegewezen ondanks het ontbreken van een gezamenlijk verzoek.