ECLI:NL:PHR:2008:BB7683
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechthebbende bij teruggave van inbeslaggenomen geldbedrag
In deze zaak ging het om de teruggave van een geldbedrag van circa €22.000 dat in beslag was genomen bij een verdachte. Klaagster stelde dat zij rechthebbende was van €19.000 van dat bedrag en verzocht de rechtbank om teruggave. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat klaagster niet buiten redelijke twijfel had aangetoond rechthebbende te zijn. Zij had slechts bankafschriften overgelegd waaruit bleek dat zij in een bepaalde periode over dat bedrag kon beschikken, maar niet dat het specifieke inbeslaggenomen geld aan haar toebehoorde.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had gehanteerd door te eisen dat klaagster buiten redelijke twijfel rechthebbende moest zijn. De juiste maatstaf is of zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Desondanks faalde het middel omdat klaagster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij rechthebbende was. De Hoge Raad lichtte toe dat voor geldbedragen individualiseerbaarheid vereist is om een zakelijk of persoonlijk recht te kunnen doen gelden, wat in dit geval ontbrak.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het klaagschrift terecht ongegrond is verklaard. Tevens werd opgemerkt dat het in de praktijk vaak lastig is om rechthebbende te zijn van een geldbedrag dat niet individualiseerbaar is, wat ook gevolgen heeft voor slachtoffers van strafbare feiten die hun geld terug willen krijgen. De Hoge Raad zag geen aanleiding om ambtshalve niet-ontvankelijkheid uit te spreken en verwierp het beroep.
Uitkomst: Het klaagschrift tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van rechthebbendheid.