ECLI:NL:PHR:2008:BB7043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekening maatschap en waardestijging voormalige echtelijke woning bij scheiding
De zaak betreft de afwikkeling van een niet uitgevoerd Amsterdams verrekenbeding tussen man en vrouw die in 1990 trouwden onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding. Tijdens het huwelijk exploiteerden zij samen een installatiebedrijf in de vorm van een maatschap. Na verbreking van de samenwoning en echtscheiding ontstond geschil over de verdeling van de maatschap en de waardestijging van de woning die de man vóór het huwelijk had verkregen.
De vrouw vorderde onder meer de verdeling van de inboedel, waardering van de woning en het installatiebedrijf, en betaling van de helft van de vermogenstoename tijdens het huwelijk. De man voerde verweer en stelde onder meer dat de vrouw reeds haar aandeel in de maatschap had ontvangen en dat de woning vóór het huwelijk was verkregen. Het hof oordeelde dat het kapitaal in de maatschap tijdens het huwelijk was opgebouwd en als overgespaarde inkomsten in het verrekenbeding moest worden beschouwd, waardoor partijen een identiek bedrag zouden ontvangen. Tevens oordeelde het hof dat de waardestijging van de woning deels het gevolg was van gezamenlijke verbouwingen en belegging van overgespaarde inkomsten, zodat verrekening met de vrouw moest plaatsvinden.
De man stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het verrekenbeding toepaste op het maatschapsvermogen en dat het oordeel over de waardestijging van de woning in overeenstemming was met de beleggingsleer zoals ontwikkeld in eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad verwierp de klachten van de man en verklaarde het cassatieberoep ongegrond, waarna de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling en afdoening.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt toepassing van het verrekenbeding op maatschap en woningwaardestijging, verwijst zaak terug voor verdere afhandeling.