Uitspraak
aRO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
24 september 1993.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of eiser, gedelegeerd commissaris en aandeelhouder van een vennootschap, onrechtmatig had gehandeld jegens de schuldeisers door een onroerende zaak aan de vennootschap te verkopen voor een aanzienlijk te hoge prijs. De vennootschap werd later failliet verklaard en de curator vorderde schadevergoeding.
De rechtbank wees de vordering van de curator op de primaire grondslag af, maar stond bewijslevering toe op de subsidiaire grondslag. Het hof vernietigde het tussenvonnis en wees de zaak terug voor einduitspraak. Later vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van de curator tot betaling van ƒ 175.000,-- toe, stellende dat eiser bekend was met de twijfelachtige waarde van de onroerende zaak en dat hij zich jegens de schuldeisers onrechtmatig had gedragen.
De Hoge Raad oordeelde dat hoger beroep tegen een interlocutoir vonnis ook tegelijk met hoger beroep tegen een eindvonnis kan worden ingesteld en dat het beleid van de appelrechter bij terugwijzing niet in cassatie kan worden getoetst. Het oordeel van het hof dat eiser onrechtmatig handelde jegens de schuldeisers is niet onbegrijpelijk of onjuist. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiser onrechtmatig handelde jegens de schuldeisers en veroordeelde hem tot betaling van ƒ 175.000,-- plus proceskosten.