ECLI:NL:PHR:2008:BB5923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rechterlijke vaststelling huurprijs bedrijfsruimte en toepasselijkheid tussentijdse huurprijsafspraken
Deze zaak betreft de nadere vaststelling van de huurprijs van een bedrijfsruimte die sinds 1993 werd verhuurd met een verlengingsoptie. Partijen maakten in 1996 tussentijdse afspraken over de huurprijs en andere huurvoorwaarden. De huurder vorderde vervolgens een huurprijsvaststelling per 1998, binnen vijf jaar na die tussentijdse afspraken.
De Hoge Raad bevestigt dat een vordering tot huurprijsvaststelling pas mogelijk is na vijf jaar sinds de laatste huurprijsafspraak, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De tussentijdse afspraken in 1996 waren reëel en beduidend, waardoor de vordering in 1998 niet ontvankelijk was. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de benoeming van de Bedrijfshuuradviescommissie (BHAC) als deskundige zonder overleg met partijen niet leidt tot nietigheid, omdat overleg niet dwingend is voorgeschreven en BHAC als deskundige een gangbare praktijk is.
Ten slotte bespreekt de Hoge Raad de problematiek van de keuze van vergelijkingspanden bij huurprijsvaststelling. De huidige praktijk waarbij een beperkt aantal panden wordt gekozen zonder rekening te houden met representativiteit kan leiden tot willekeurige en onredelijke uitkomsten. De rechter moet zich een indruk vormen van het duurzame huurniveau ter plaatse en zorgvuldig beoordelen welke panden als vergelijkingsmateriaal dienen, waarbij ook panden buiten de directe locatie in aanmerking kunnen komen als zij beter vergelijkbaar zijn.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling op basis van deze uitgangspunten.
Uitkomst: Vordering tot huurprijsvaststelling per 1998 is niet ontvankelijk wegens tussentijdse huurprijsafspraken in 1996.