ECLI:NL:PHR:2008:BA9380
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Kostenvergoeding en ontvankelijkheid bij gecombineerde bezwaar- en beroepsprocedure douanerechten
In deze zaak staat centraal de behandeling van een beroep tegen een uitspraak op bezwaar inzake een uitnodiging tot betaling van douanerechten, gecombineerd met een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 van Pro het Communautair Douanewetboek (CDW). De uitnodiging tot betaling was onterecht aan belanghebbende gericht, omdat zij pas na de periode van de douaneschuld was opgericht. Het Hof had de uitnodiging tot betaling vernietigd en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, maar verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan materieel belang.
Belanghebbende had aanzienlijke kosten gemaakt in de bezwaar- en beroepsprocedure en verzocht om vergoeding van deze kosten, waaronder kosten in de bezwaarfase en kosten van het verzoek om terugbetaling. De inspecteur had het verzoek om terugbetaling ambtshalve gedeeltelijk toegewezen en het verzoek bij de Commissie ingetrokken. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat belanghebbende voldoende materieel belang had, mede vanwege een civielrechtelijke aansprakelijkheidsprocedure.
Verder bespreekt de Hoge Raad de bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een hogere proceskostenvergoeding wordt toegekend dan het forfaitaire bedrag, zoals de langdurige behandeling van het verzoek om terugbetaling. De rechter heeft discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding, waarbij redelijkheid en proportionaliteit worden meegewogen. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om kostenvergoeding in de bezwaarfase en het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling van kostenvergoeding en schadevergoeding.