ECLI:NL:PHR:2007:BB9613
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling te late overlegging financiële bescheiden in alimentatieprocedure en taak rechter
De zaak betreft een alimentatieprocedure tussen ex-echtgenoten waarbij de man verplicht was financiële bescheiden tijdig aan het hof te overleggen ter onderbouwing van zijn draagkracht. De man voldeed hieraan niet, leverde stukken te laat en onvolledig aan, en stelde zich op het standpunt dat de vrouw geen aanvullende bijdrage nodig had. Het hof oordeelde dat zonder de benodigde stukken geen oordeel kon worden gevormd over de grieven van de man en bekrachtigde de eerdere beschikking.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan door het niet tijdig en volledig overleggen van financiële stukken. De Hoge Raad benadrukt dat de rechter op grond van artikel 22 Rv Pro de bevoegdheid heeft om in elke fase van de procedure nadere stukken te verlangen en dat het Reglement een uitwerking is van deze discretionaire bevoegdheid.
De Hoge Raad wijst erop dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij te late overlegging van stukken niet zonder meer geldt, maar dat het hof een minder vergaande sanctie kan toepassen, zoals het niet in aanmerking nemen van de stukken. In dit geval was het hof niet verplicht de stukken te accepteren die te laat werden ingediend, temeer daar de man meerdere malen uitstel had gevraagd en de stukken niet eenvoudig te beoordelen waren.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het hof de beschikking heeft bekrachtigd. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige en volledige overlegging van financiële bescheiden in alimentatiezaken en de taak van de rechter om de procesorde te bewaken.
Uitkomst: Het hof heeft het hoger beroep van de man afgewezen wegens het niet tijdig en onvolledig overleggen van financiële bescheiden.