ECLI:NL:PHR:2007:BB6910
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep en cassatie over voorlopige omgangsregeling en tussenbeschikking in familierecht
In deze familierechtelijke zaak gaat het om de vraag of hoger beroep openstaat tegen een beschikking waarbij de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter heeft vastgesteld. De vader had een verzoek ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling, nadat de moeder de bestaande regeling niet meer zou naleven. De rechtbank bepaalde een voorlopige omgang onder begeleiding van het Omgangshuis Noord-Holland.
De moeder kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en stelde dat het verzoek van de vader moest worden afgewezen zolang partijen niet op een constructieve wijze met elkaar communiceren. Het hof verklaarde het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk omdat het ging om een tussenbeschikking met een voorlopig karakter waartegen geen hoger beroep openstaat volgens artikel 358 lid 4 Rv Pro.
De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad bevestigde dat de beschikking een tussenbeschikking betreft, omdat de rechtbank de zaak pro forma aanhield en geen definitieve beslissing nam over het verzoek. De voorlopige omgangsregeling heeft wel een onherroepelijk karakter zodra deze eenmaal is geëffectueerd, maar dit maakt de beschikking niet tot een eindbeschikking. De Hoge Raad verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep, mede omdat het resultaat hetzelfde is als bij afwijzing van het hoger beroep: de voorlopige omgangsregeling blijft in stand.
De zaak illustreert de juridische nuance tussen voorlopige voorzieningen en deelbeschikkingen in het familierecht en bevestigt de restrictieve toepassing van het appelverbod tegen tussenbeschikkingen.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en cassatie tegen de voorlopige omgangsregeling.