ECLI:NL:PHR:2007:BB3045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid wegens ontbreken uitdrukkelijke instemming afzien hernieuwde oproeping getuigen
In deze zaak stond centraal de vraag of het gerechtshof terecht had afgezien van de hernieuwde oproeping van drie niet-verschenen getuigen zonder uitdrukkelijke instemming van de verdediging. De verdediging had enerzijds gepersisteerd bij het horen van de getuigen, maar anderzijds ook een snelle afdoening van de zaak geprefereerd en het onderzoek ter terechtzitting voortgezet zonder expliciet bezwaar te maken tegen het niet horen van de getuigen.
De Hoge Raad benadrukte dat op grond van art. 287, derde lid, en art. 288, derde lid, Sv het hof alleen mag afzien van hernieuwde oproeping indien zowel de advocaat-generaal als de verdachte uitdrukkelijk instemmen. Deze instemming hoeft niet per se ondubbelzinnig in het proces-verbaal te zijn vastgelegd, maar moet wel ondubbelzinnig blijken uit de context en het procesverloop. Stilzwijgen is onvoldoende.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof in deze zaak redelijkerwijs mocht aannemen dat de verdediging voorwaardelijk had ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping, mede gelet op het pleidooi waarin de betrouwbaarheid van de getuigen werd bestreden en het ontbreken van verdere opmerkingen over het horen van de getuigen. Hierdoor was geen sprake van een schending van het procesrecht die tot nietigheid zou leiden.
Daarnaast werd geoordeeld dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit door het hof niet onbegrijpelijk was, en dat de tenlastelegging voldoende duidelijk was geformuleerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.