ECLI:NL:HR:2007:BB3045
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Nietigheid wegens ontbreken uitdrukkelijke instemming met afzien van hernieuwde getuigenoproeping
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het gerechtshof terecht had afgezien van de hernieuwde oproeping van drie getuigen die niet waren verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep. De verdediging had geen uitdrukkelijke instemming gegeven met het afzien van deze oproeping, terwijl het hof dit wel had gedaan zonder een met redenen omklede beslissing.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 november 2005 toonde aan dat de getuigen laat waren opgeroepen en dat hun adresgegevens niet volledig waren geverifieerd. De verdediging had verzocht om het horen van deze getuigen, maar gaf ook aan een snelle afdoening te prefereren. Het hof besloot echter zonder expliciete instemming van de verdediging af te zien van de hernieuwde oproeping.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 287, derde lid, Sv het hof de hernieuwde oproeping had moeten bevelen tenzij het op grond van artikel 288, eerste lid, Sv bij een met redenen omklede beslissing kon afzien. Omdat een dergelijke beslissing ontbrak, leidde dit tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak. Het beroep in cassatie werd gegrond verklaard en de zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van uitdrukkelijke instemming met het afzien van hernieuwde getuigenoproeping, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.