ECLI:NL:PHR:2007:BA6235
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat leaseovereenkomst geen eeuwigdurende huur betreft en bindt opvolgend eigenaar
In deze zaak staat centraal of een leaseovereenkomst uit 1992 kwalificeert als een huurovereenkomst voor bepaalde tijd of als een verboden eeuwigdurende huur. De overeenkomst betreft het gebruik van een onroerende zaak tegen een vaste vergoeding. De vraag was of de overeenkomst door de verhuurder kan worden beëindigd, wat bepalend is voor het tijdelijke karakter.
De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomst een huurovereenkomst is onder het oude huurrecht (artikel 7A:1584 BW oud). Het hof had geoordeeld dat de verhuurder de overeenkomst kan beëindigen, onder meer door ontbinding wegens wanprestatie of onvoorziene omstandigheden, en dat het repeterend optierecht van de huurder doorbreekbaar is. Dit betekent dat de huur niet eeuwigdurend is.
Verder is vastgesteld dat de opvolgend eigenaar van de onroerende zaak, eiser, gebonden is aan het recht van gebruik dat uit de huurovereenkomst voortvloeit, conform de regel 'koop breekt geen huur' (artikel 7A:1612 BW oud). De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van eiser dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, en bevestigde dat de overeenkomst niet in strijd is met het verbod op eeuwigdurende huur.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de leaseovereenkomst geen eeuwigdurende huur betreft en dat de opvolgend eigenaar gebonden is aan het recht van gebruik uit de huurovereenkomst.