ECLI:NL:PHR:2007:BA5804
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid hoger beroep tegen voorlopige omgangsregeling in familierecht
In deze zaak gaat het om de vraag of tegen een voorlopige omgangsregeling, vastgesteld bij beschikking van de rechtbank, hoger beroep kan worden ingesteld. De moeder had tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, maar het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat het volgens het hof om een tussenbeschikking ging waartegen pas samen met de eindbeschikking hoger beroep mogelijk is.
De Hoge Raad bespreekt de aard van tussenbeschikkingen, eindbeschikkingen en deelbeschikkingen en benadrukt dat voor voorlopige voorzieningen, zoals omgangsregelingen, geen wettelijke uitzondering geldt op het verbod tussentijds hoger beroep. Echter, de Hoge Raad stelt dat indien de voorlopige beschikking een onherroepelijk karakter heeft en niet ongedaan kan worden gemaakt, hoger beroep terstond mogelijk moet zijn.
In deze zaak is de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft zij een onherroepelijk karakter. Daarom oordeelt de Hoge Raad dat de moeder wel ontvankelijk was in haar hoger beroep. De klacht van de moeder faalt derhalve niet op ontvankelijkheid, en het beroep wordt verworpen. De uitspraak bevestigt dat voorlopige omgangsregelingen in familierechtelijke zaken direct aan hoger beroep kunnen worden onderworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van hoger beroep tegen de voorlopige omgangsregeling.