ECLI:NL:PHR:2007:BA1640
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten in drugszaken
In deze zaak betrof het beroep een cassatie tegen een ontnemingsmaatregel opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam aan betrokkene wegens drugshandel en het bezit van hennep en hashish. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van soortgelijke feiten, waarbij gebruik werd gemaakt van een financieel rapport en een arrest van het hof als bewijsmiddelen.
De verdediging voerde aan dat het hof onterecht feiten gebruikte die niet expliciet in de bewijsmiddelen waren opgenomen, zoals een kasstorting van tweeduizend gulden, en dat de motivering onvoldoende was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de inhoud van het arrest slechts gebruikte om aan te tonen dat soortgelijke feiten waren begaan, wat toelaatbaar is. Bovendien is de schatting van het wederrechtelijk voordeel gebaseerd op een combinatie van bewijsmiddelen en nadere overwegingen in het arrest, wat voldoet aan de motiveringseisen.
Ten aanzien van de kasstorting van 9 januari 1998 erkent de Hoge Raad dat het hof niet expliciet heeft aangegeven op welk bewijsmiddel dit is gebaseerd, maar stelt dat dit niet leidt tot cassatie omdat het hof uit dezelfde bron als de verdediging heeft geput en de kasstorting duidelijk uit bankafschriften blijkt. De conclusie is dat de motivering voldoende controleerbaar en begrijpelijk is, en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van het hof blijft in stand.