ECLI:NL:HR:2007:BA1640
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs kasstorting bij schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof terecht een kasstorting van 2000 gulden had betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene. Betrokkene voerde aan dat het bewijs van deze kasstorting niet expliciet in de bewijsmiddelen was genoemd en dat het hof niet had aangegeven op welk wettig bewijsmiddel het deze kasstorting baseerde.
Het hof had bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met kasstortingen en kasopnames over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 maart 2000, waarbij de kasstorting van 2000 gulden op 9 januari 1998 werd meegenomen. Het financieel rapport, opgesteld door een financieel rechercheur, vormde de kern van de bewijsvoering en bevatte een bijlage met bankafschriften waaruit deze storting kon worden afgeleid.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het bewijs van de kasstorting niet met zoveel woorden in het arrest of de bewijsmiddelen was genoemd, het hof het financieel rapport als kenbron had gebruikt en daarmee met voldoende nauwkeurigheid kon worden vastgesteld dat de kasstorting was betrokken. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De uitspraak bevestigt dat een hof niet in elke overweging expliciet hoeft te vermelden op welk bewijsstuk het zich baseert, mits dit met voldoende mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld uit de stukken. Dit arrest onderstreept het belang van het financieel rapport in de bewijsvoering bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.