ECLI:NL:PHR:2007:AZ5443
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging omgangsregeling bij gezamenlijk gezag in belang van kinderen
In deze zaak staat centraal of een ouder die samen met de andere ouder het gezag uitoefent over hun minderjarige kinderen, het recht op omgang met deze kinderen kan worden ontzegd. De moeder verzocht de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen geheel stop te zetten, wat door de rechtbank en het hof werd toegewezen zonder tijdslimiet.
De vader stelde bezwaar in en bracht het geschil uiteindelijk voor de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog dat de wet geen grondslag biedt voor een definitieve ontzegging van het omgangsrecht bij gezamenlijke gezagsuitoefening. Wel is tijdelijke schorsing mogelijk op grond van artikel 1:253a BW als dit in het belang van het kind is.
De rechtbank en het hof hadden de omgangsregeling zonder termijn stopgezet, hetgeen volgens de Hoge Raad niet verenigbaar is met de wet. De Hoge Raad benadrukte het belang van het kind en het uitgangspunt dat contact met beide ouders na scheiding wenselijk is, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit verhinderen.
De conclusie van de Procureur-Generaal is vernietiging van de beschikking en terugwijzing aan het hof om de verzoeken opnieuw te beoordelen met inachtneming van de jurisprudentie dat een ontzegging voor onbepaalde tijd niet is toegestaan.
Uitkomst: De beschikking tot definitieve ontzegging van omgangsrecht bij gezamenlijk gezag wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.