ECLI:NL:PHR:2007:AY8992
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsvereisten en bewijslastverdeling bij renteaftrek eigen woning na wetswijziging
In deze zaak staat centraal de vraag in hoeverre hypotheekverhogingen in 1996 en 1998 kunnen worden aangemerkt als eigenwoningschuld, zodat de renteaftrek daarop kan worden toegepast. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de volledige verhogingen zijn besteed aan de eigen woning. Het hof accepteerde slechts een deel van de verhogingen als eigenwoningschuld.
Belanghebbende voerde in cassatie meerdere klachten aan, waaronder dat het hof ten onrechte een bewijsaanbod heeft gepasseerd en dat het hof onterecht het beroep op het vertrouwensbeginsel verwierp. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zonder motivering aan het bewijsaanbod is voorbijgegaan, waardoor verwijzing noodzakelijk is. Ook is onvoldoende ingegaan op de stelling dat kosten uit eerdere jaren zijn voldaan uit een lopende lening die later werd omgezet in een hypothecaire lening.
Daarnaast behandelt de conclusie uitgebreid de wetsgeschiedenis en parlementaire behandeling van artikel 3.123 Wet IB 2001, waarin de voorwaarde van schriftelijke bescheiden voor renteaftrek op leningen voor onderhoud en verbetering van de eigen woning is opgenomen. De bewindslieden hebben tijdens de parlementaire behandeling aangegeven dat voor leningen aangegaan vóór 1 januari 2001 deze voorwaarde niet met terugwerkende kracht geldt, en dat bestaande leningen die door de Belastingdienst als zodanig zijn geaccepteerd hun karakter behouden.
De conclusie benadrukt dat uitlatingen van bewindslieden tijdens de parlementaire behandeling als medewetgever niet direct rechtens te honoreren vertrouwen scheppen, maar wel van belang zijn voor de interpretatie van de wet. Verder wordt besproken dat de inspecteur niet onbeperkt bewijs kan blijven vragen voor in het verleden aangegane leningen en dat de navorderingstermijn als redelijke begrenzing kan dienen.
De Hoge Raad concludeert tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en verwijzing van de zaak naar het hof voor nadere beoordeling van de bewijsaanbiedingen en de stellingen over de lening uit eerdere jaren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen naar het hof voor nadere beoordeling van bewijsaanbiedingen en stellingen over de lening uit eerdere jaren.