ECLI:NL:PHR:2006:AZ1489
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beroepsaansprakelijkheid advocaat wegens niet tijdig retourneren toevoeging Raad voor Rechtsbijstand
De zaak betreft een geschil tussen een advocaat en zijn voormalige cliënt over beroepsaansprakelijkheid. De cliënt werd in een strafzaak bijgestaan door de advocaat, die zich als gekozen raadsman had gesteld. Desondanks werd ambtshalve een toevoeging verleend. De advocaat stuurde deze toevoeging niet tijdig terug aan de Raad voor Rechtsbijstand, waardoor het verzoek van de cliënt om vergoeding van advocaatkosten op grond van art. 591a Sv werd afgewezen.
De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding af, maar het gerechtshof stelde de cliënt alsnog in het gelijk en oordeelde dat de advocaat niet handelde zoals van een redelijk vakbekwaam raadsman verwacht mag worden. De advocaat stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat het niet tijdig kenbaar maken van het niet-gebruik van de toevoeging aan derden een toerekenbare tekortkoming kan opleveren. Ook al was er voorafgaand aan de strafzaak een afspraak dat de advocaat voor eigen rekening zou optreden, door de nalatigheid werd de cliënt de mogelijkheid ontnomen om vergoeding op grond van art. 591a Sv te ontvangen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van de advocaat voor het niet tijdig kenbaar maken van het niet-gebruik van de toevoeging.