ECLI:NL:PHR:2006:AW3942
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing liquidatieverliesregeling bij fiscale eenheid en voortzetting activiteiten
De zaak betreft de aftrekbaarheid van een liquidatieverlies door een participatiemaatschappij die een 5%-belang hield in een moedervennootschap (H) van een fiscale eenheid. Na faillissement van de werkmaatschappijen B, C en D binnen deze fiscale eenheid, heeft de belanghebbende de activa en het personeel van deze werkmaatschappijen overgenomen en voortgezet.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de werkmaatschappijen deel uitmaakten van de fiscale eenheid en dat de onderneming van H gedeeltelijk was voortgezet, waardoor de liquidatieverliesregeling op grond van art. 13d, lid 8 Wet Vpb niet van toepassing was. De belanghebbende stelde in cassatie dat de fiscale eenheid geen werking heeft jegens derden zoals zijzelf.
De Hoge Raad bevestigt dat de fiscale eenheid uitsluitend werking heeft tussen de betrokken vennootschappen en niet jegens derden. Hierdoor is er geen sprake van voortzetting van de onderneming van H door de belanghebbende, zodat de liquidatieverliesregeling niet wordt uitgesloten. De zaak wordt vernietigd en de aftrek van het liquidatieverlies wordt toegestaan, vastgesteld op ƒ 741.600.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de liquidatieverliesregeling in combinatie met het fiscale-eenheidsregime en benadrukt het ontbreken van derdenwerking van de fiscale eenheid, wat van belang is voor de fiscale positie van minderheidsaandeelhouders.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en stelt het liquidatieverlies van de belanghebbende vast op ƒ 741.600.