ECLI:NL:PHR:2006:AV5228
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Matiging boetebeding bij niet-nakoming koopovereenkomst appartementsrecht
Partijen sloten op 26 augustus 1999 een koopovereenkomst voor een appartementsrecht, met een boetebeding van drie promille van de koopsom per dag bij niet-nakoming. De levering en splitsing moesten uiterlijk 1 december 1999 plaatsvinden. Door gebreken en nalatigheid van koper, waaronder het inschakelen van niet-erkende aannemers en het niet tijdig reageren op gemeentelijke aanschrijvingen, werd de splitsingsvergunning pas op 8 februari 2001 verleend en werd de levering ook vertraagd.
Verkoper stelde koper in gebreke en vorderde nakoming en betaling van de boete. Koper voerde aan dat de boete onredelijk was en dat hij niet aansprakelijk was voor de vertraging. Het hof oordeelde dat de vertraging geheel aan koper te wijten was en dat matiging van de boete niet gerechtvaardigd was, ook al was de boete hoger dan de koopsom. Koper stelde in cassatie dat het boetebeding onredelijk bezwarend was en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met gewijzigde omstandigheden.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het hof had terecht geoordeeld dat de nalatigheid en omstandigheden voor rekening van koper kwamen. Het boetebeding behoefde niet te worden gematigd, ook niet omdat het bedrag hoger was dan de koopsom. De Hoge Raad bevestigde dat het boetebeding niet als onredelijk bezwarend kon worden aangemerkt, mede omdat het geen consumententransactie betrof. Het bewijsaanbod van koper werd terecht gepasseerd omdat het niet tot een andere uitkomst zou leiden.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het arrest van het hof dat de boete volledig toekwam aan verkoper wegens de vertraging veroorzaakt door koper.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de boete wegens vertraging niet gematigd wordt en volledig aan verkoper toekomt.