ECLI:NL:PHR:2006:AV4122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toetsing BVD-onderzoek en deelneming criminele organisatie in terrorismezaak
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk. Kernpunten zijn de verhouding tussen het BVD/AIVD-onderzoek en strafrechtelijk onderzoek, de mate van controle door de strafrechter op door BVD/AIVD verzameld materiaal, en de bewijswaardering van dit materiaal.
De Hoge Raad stelt dat de BVD/AIVD geen opsporingsbevoegdheid heeft en dat strafrechter en OM slechts beperkt kunnen toetsen aan de rechtmatigheid van door deze diensten verzamelde informatie. Het vertrouwensbeginsel geldt, waarbij slechts bij sterke aanwijzingen van grove schendingen fundamentele rechten nader onderzoek door de strafrechter vereist is. Onregelmatigheden in het BVD-onderzoek leiden niet automatisch tot uitsluiting van bewijs of niet-ontvankelijkheid van het OM.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat voor deelneming aan een criminele organisatie het voldoende is dat de verdachte in algemene zin weet dat de organisatie misdrijven beoogt, zonder dat kennis van concrete misdrijven vereist is. Dit geldt ook als de organisatie zich richt op diverse soorten misdrijven. De bewijsvoering steunt op verklaringen, inbeslaggenomen materiaal en andere bewijsmiddelen die samen het oogmerk van de organisatie en de betrokkenheid van verdachte ondersteunen.
De Hoge Raad verwerpt alle cassatiemiddelen en bevestigt de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor deelneming aan een terroristische organisatie. Tevens wordt het verzoek tot oproeping van AIVD-functionarissen en het overleggen van geheime bevelen afgewezen vanwege geheimhoudingsplicht en het ontbreken van aantoonbare schendingen die het proces oneerlijk maken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor deelneming aan een terroristische organisatie.