ECLI:NL:PHR:2006:AV3019
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over nakoming overeenkomst en terugvordering alimentatie tussen ex-echtelieden onder huwelijkse voorwaarden
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen. Zij werden gezamenlijk eigenaar van een bouwperceel en woning, betaald door de man. Na hun scheiding betaalde de man alimentatie aan de vrouw. In 2001 sloten zij een overeenkomst waarbij de vrouw haar mede-eigendom overdroeg aan de man en afstand deed van haar levensverzekeringen en alimentatie.
De vrouw vorderde nakoming van deze overeenkomst, terwijl de man terugbetaling van onverschuldigde alimentatie eiste. De man stelde dat hij door ziekte geestelijk niet in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien en dat de vrouw misbruik maakte van zijn situatie, waardoor de rechtshandelingen aantastbaar waren.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de man grotendeels af en bevestigden de overeenkomst. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat de man geen beroep kon doen op het ontbreken van wil bij de gezamenlijke aankoop en dat er geen sprake was van misbruik of geestelijke stoornis die de overeenkomst van 2001 aantastte.
Ook het bewijsaanbod van de man werd als onvoldoende gespecificeerd verworpen. De klachten van de man over de ongunstigheid van de overeenkomst en de gedragingen van de vrouw werden door het hof gemotiveerd afgewezen. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep ongegrond is en verwierp het.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof dat de overeenkomst nakoming en alimentatiebetaling bevestigt.