ECLI:NL:PHR:2006:AV1612
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid APV-bepaling over ophouden zonder redelijk doel in portiek
De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens het zonder bevoegdheid ophouden in een portiek op een openbare weg, in strijd met artikel 78 lid 1 van Pro de Algemene Politieverordening (APV) Den Haag 1982. Het hof behandelde het hoger beroep ondanks overschrijding van de appeltermijn, waarop de Hoge Raad oordeelde dat hij niet ambtshalve hoeft in te grijpen, zeker omdat de verdachte niet benadeeld is en het Openbaar Ministerie geen niet-ontvankelijkheid had gevorderd.
De verdachte stelde dat de APV-bepaling te vaag en onvoldoende bepaald was, waardoor het legaliteitsbeginsel en artikel 7 EVRM Pro werden geschonden. De Hoge Raad verwierp dit verweer en verwees naar jurisprudentie waarin werd bevestigd dat dergelijke normen, mits voldoende concreet omschreven en met jurisprudentie te verduidelijken, niet onverenigbaar zijn met het bepaaldheidsbeginsel.
Daarnaast werd betoogd dat de bepaling in strijd was met het recht op privacy en bewegingsvrijheid (artikelen 8 EVRM, 2 vierde protocol EVRM en 12 IVBPR). De Hoge Raad oordeelde dat de bepaling vooral een inbreuk vormt op bewegingsvrijheid, die echter gerechtvaardigd is ter handhaving van de openbare orde. De bewezenverklaring werd als voldoende onderbouwd beschouwd, waarbij het hof aannam dat de verdachte geen toestemming had en geen redelijk doel om zich in het portiek op te houden. De kwalificatie van het feit werd door de Hoge Raad gecorrigeerd van lid a naar lid c van artikel 78 lid 1 APV Pro Den Haag 1982.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens het zonder bevoegdheid ophouden in een portiek zonder redelijk doel wordt bevestigd.