ECLI:NL:PHR:2006:AU8185
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 19 Wet Bopz over maximale duur machtiging voortgezet verblijf
In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 19 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz), dat bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis een maximale geldigheidsduur van twee jaar kan hebben indien het verblijf onafgebroken ten minste vijf jaar heeft geduurd.
Betrokkene verbleef de afgelopen jaren niet onafgebroken in het ziekenhuis, maar had een groot deel van de tijd voorwaardelijk ontslag en verbleef buiten het ziekenhuis onder een zogenaamde paraplumachtiging. Kort voor de bestreden beschikking was betrokkene weer opgenomen in het ziekenhuis. De rechtbank kende een machtiging toe voor twee jaar, maar de Hoge Raad stelt dat de wettelijke regeling alleen ziet op een onafgebroken verblijf van vijf jaar.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking voor zover de machtiging een geldigheidsduur van twee jaar heeft, en beperkt deze tot één jaar. De Hoge Raad bevestigt dat tussentijds ontslag op verzoek van de patiënt mogelijk blijft en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een maximale termijn van twee jaar om de noodzaak van opname regelmatig te toetsen.
De zaak benadrukt het belang van een juiste toepassing van de Wet Bopz en de bescherming van de rechten van patiënten in psychiatrische ziekenhuizen, in overeenstemming met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de machtiging tot voortgezet verblijf tot één jaar in plaats van twee jaar.