ECLI:NL:PHR:2006:AU4762
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid en bezwaar tegen inhaalbeschikkingen in de inkomstenbelasting
Belanghebbende, participant in een commanditaire vennootschap en ondernemer voor de inkomstenbelasting, maakte bezwaar tegen inhaalbeschikkingen voor de jaren 1998 en 1999 betreffende negatief buitenlands onzuiver inkomen. Het Hof verklaarde het bezwaar tegen de beschikking 1998 niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen 1999 af. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraken.
De kern van het geschil betrof de vraag of inhaalbeschikkingen die op een afzonderlijk biljet kort na de aanslag werden toegezonden rechtsgeldig zijn en of de ambtenaar die het bezwaar behandelde ook de beschikking had vastgesteld, wat volgens belanghebbende strijdig zou zijn met artikel 10:3, derde lid, Awb.
De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke regeling (artikel 3a Bvdb 1989) voorschrijft dat de inspecteur het bedrag van het over te brengen buitenlands onzuiver inkomen bij voor bezwaar vatbare beschikking gelijktijdig met de aanslag vaststelt, maar dat dit niet betekent dat een beschikking op een afzonderlijk biljet kort na de aanslag onrechtmatig is. Ook kan de inspecteur fouten herstellen door latere verrekening zonder dat een beschikking formeel vereist is.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de ambtenaar die het bezwaar behandelde niet in strijd handelde met artikel 10:3, derde lid, Awb. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de inhaalbeschikkingen worden als rechtsgeldig bevestigd.