ECLI:NL:PHR:2006:AU2062
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over beslag onder advocaat en verschoningsrecht bij verdenking schending geheimhoudingsplicht
In deze zaak stond de vraag centraal of beslag op stukken van een advocaat, die wordt verdacht van medeplegen of uitlokken van schending van de geheimhoudingsplicht, zonder diens toestemming rechtmatig was. De rechtbank had geoordeeld dat de stukken uit drie dossiers onder het verschoningsrecht vielen en gelastte teruggave. De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad benadrukte dat op grond van artikel 98 van Pro het Wetboek van Strafvordering brieven of geschriften die onder het verschoningsrecht vallen niet zonder toestemming van de advocaat in beslag mogen worden genomen, tenzij het duidelijk is dat deze stukken voorwerp zijn van het strafbare feit of daartoe hebben gediend. Het oordeel over het verschoningsrecht behoort in principe aan de advocaat toe, tenzij er geen redelijke twijfel bestaat over de onjuistheid van diens standpunt.
In deze zaak was onvoldoende duidelijk welke stukken precies in beslag waren genomen en of deze daadwerkelijk voorwerp van het strafbare feit waren. De rechter-commissaris had de stukken niet zelf ingezien en baseerde zijn oordeel op criteria die niet nader waren toegelicht. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank de juiste maatstaf had gehanteerd en dat het cassatiemiddel faalde. Daarmee werd het beroep van het Openbaar Ministerie verworpen en bleef de teruggave van de stukken aan de advocaat in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen en de teruggave van de in beslag genomen stukken aan de advocaat wordt bevestigd.