ECLI:NL:PHR:2005:AU5285
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontbinding huwelijk ondanks godsdienstig verweer
De zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man die in 1964 zijn gehuwd. Na eerdere procedures en een beschikking van de Hoge Raad in 2003, waarin het cassatieberoep van de vrouw werd verworpen, werd de echtscheiding uiteindelijk door de rechtbank en het gerechtshof uitgesproken en bekrachtigd.
De vrouw voerde in cassatie aan dat de echtscheiding in strijd is met haar godsdienstige overtuiging dat het huwelijk onontbindbaar is, en dat daardoor haar rechten op privacy en godsdienstvrijheid, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, artikel 10 Grondwet Pro en artikel 17 IVBPR Pro, werden geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat deze rechten geen absolute bescherming bieden tegen ontbinding van het burgerlijk huwelijk en dat de wettelijke regeling gerechtvaardigd is vanwege de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
De Hoge Raad bevestigde dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en dat de godsdienstige overtuiging van de vrouw niet verhindert dat de echtscheiding wordt uitgesproken. Het cassatieberoep werd verworpen en de vrouw werd mogelijkerwijs in de kosten van het geding veroordeeld vanwege het gebrek aan kans van slagen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de echtscheiding kan worden uitgesproken ondanks het godsdienstige verweer van de vrouw.