ECLI:NL:PHR:2005:AU3475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van valsheid in geschrift en onttrekking aan pandrecht. De Hoge Raad onderzocht of het Openbaar Ministerie (OM) bij de betekening van de verstekmededeling de nodige voortvarendheid heeft betracht, zoals vereist op grond van art. 366 Sv Pro en art. 6.1 EVRM.
De feiten betreffen een periode van ernstige vertraging in de betekening van de verstekmededeling. Het arrest van het hof dateert van 10 november 1995, maar de mededeling van de uitspraak werd pas op 25 september 2004 aan de verdachte persoonlijk betekend. Tussenliggende pogingen van het OM om de mededeling te betekenen ontbraken, terwijl de verdachte vanaf 2 januari 1996 ingeschreven stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). De uitreiking van de mededeling aan de griffier op 15 maart 1996 was niet rechtsgeldig omdat de verdachte toen wel degelijk een bekende verblijfplaats had.
De Hoge Raad oordeelt dat de vertraging van bijna negen jaar voor rekening van het OM komt en dat de verjaringstermijn van het derde feit is verstreken. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omvangrijke termijnoverschrijding, weegt het belang van de verdachte bij verval van het recht tot vervolging zwaarder dan het belang van de gemeenschap bij normhandhaving. Daarom verklaart de Hoge Raad het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn bij betekening van de verstekmededeling.