ECLI:NL:PHR:2005:AT7603
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering omtrent aftrek van kosten bij ontneming wederrechtelijk voordeel
In deze ontnemingszaak is door het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op 225.000 gulden (102.100 euro), met een betalingsverplichting na matiging van 125.000 gulden (56.720 euro) aan de Staat. Verzoeker voerde gemotiveerd aan dat huurkosten voor het bedrijfsterrein waar de hasj werd opgeslagen en verladen, ter hoogte van 48.000 gulden, in mindering moesten worden gebracht op het voordeel.
Het hof heeft echter niet in zijn arrest gereageerd op dit verweer, noch gemotiveerd waarom deze kosten niet in aftrek konden worden gebracht dan wel geheel of gedeeltelijk voor rekening van verzoeker moesten blijven. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bij een dergelijk gemotiveerd kostenverweer de rechter in zijn uitspraak hierover dient te oordelen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de verklaring van verzoeker als enig bewijsmiddel mocht baseren en dat het hof terecht niet aannam dat verzoeker slechts een lager bedrag had ontvangen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering omtrent de kostenaftrek en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het verweer en de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het kostenverweer en het wederrechtelijk verkregen voordeel.