ECLI:NL:PHR:2005:AT6197

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00759/04 U II
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.1 Overeenkomst betreffende uitlevering tussen EU-lidstatenArt. 4 UwArt. 187 Belgisch Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering van Nederlandse onderdaan voor tenuitvoerlegging straf opgelegd in België ontoelaatbaar verklaard

De zaak betreft een uitleveringsverzoek van België gericht op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd aan een Nederlandse onderdaan. De rechtbank Almelo had het verzoek ter fine van vervolging ontoelaatbaar verklaard, waarna de Hoge Raad dit oordeel vernietigde en het onderzoek vervolgde.

De verdediging stelde dat het vonnis in België onherroepelijk was geworden omdat de opgeëiste persoon geen verzet had ingesteld tegen het verstekvonnis. De Belgische autoriteiten bevestigden dat het vonnis definitief was en dat het verzoek nu strekte tot tenuitvoerlegging van een straf.

Gelet op het Nederlandse voorbehoud in art. 7.1 van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen EU-lidstaten, waarbij Nederlandse onderdanen niet worden uitgeleverd ter executie van straf, oordeelde de Hoge Raad dat uitlevering ter tenuitvoerlegging van de straf ontoelaatbaar is. Het verzoek werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot uitlevering van de Nederlandse onderdaan ter tenuitvoerlegging van de straf wordt ontoelaatbaar verklaard.

Conclusie

Nr. 00759/04 U
Mr Jörg
Zitting 12 april 2005
Schriftelijke samenvatting inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De rechtbank te Almelo heeft op 2 maart 2004 de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van vervolging ontoelaatbaar verklaard.
2. Tegen deze uitspraak heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld.
3. Bij tussenarrest van 15 juni 2004 heeft de Hoge Raad de vernietiging uitgesproken van de beslissing van de rechtbank.
4. Er heeft een feitelijke behandeling plaatsgevonden.
5. Bij tussenarrest van 18 januari 2005 heeft de Hoge Raad het onderzoek ter zitting heropend en de stukken in handen van de Procureur-Generaal gesteld teneinde van de Belgische Minister van Justitie vóór 15 maart 2005 antwoord te krijgen op de volgende vragen:
"a. Is, indien wordt uitgegaan van de hiervoor onder 3.4. vermelde, namens de opgeëiste persoon aangevoerde feiten en omstandigheden, te dezen sprake van een verzoek tot uitlevering dat (alsnog) strekt ten uitvoerlegging van een straf?
b. Zo neen, op grond van welk voorschrift of welke jurisprudentie, met name die van het Belgische Hof van Cassatie, moet dan worden aangenomen dat de in het uitleveringsverzoek bedoelde strafzaak nog verzet openstaat?"
6. Het onder 3.4 in het tussenarrest vermelde betreft het verweer van de verdediging:
- dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding in verband met het uitleveringsverzoek op 9 december 2003 is gehoord;
- dat de officier van justitie hem bij dat verhoor in kennis heeft gesteld van genoemd verstekvonnis en de betekening van dat vonnis;
- dat de opgeëiste persoon tegen dat vonnis geen verzet als bedoeld in art. 187 van Pro het Belgische Wetboek van Strafvordering heeft ingesteld, zodat gelet op de in dat artikel genoemde termijnen thans voor hem geen verzet meer openstaat en daarmee het vonnis onherroepelijk is geworden.
7. Op 6 april 2005 hebben de Belgische autoriteiten per telefax een schriftelijke reactie gestuurd. Hierin staat het volgende te lezen - voor zover relevant -:
"Uit de inhoud van uw brieven () betreffende mijn verzoek tot uitlevering van de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] blijkt dat het verstekvonnis dd. 22 februari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel definitief is geworden zodat het verzoek tot uitlevering thans strekt tot tenuitvoerlegging van een straf."
8. Nu de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en Nederlanders niet ter executie van een straf aan een vreemde Staat worden uitgeleverd (zie art. 4 Uw Pro) betekent dit dat uitlevering ter fine van executie naar België niet mogelijk is.
9. Ik concludeer derhalve tot ontoelaatbaarverklaring van het verzoek tot uitlevering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG