ECLI:NL:PHR:2005:AT5968
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over deelnemerschapslening en deelnemingsvrijstelling in vennootschapsbelasting
De zaak betreft een geschil over de fiscale behandeling van een prêt participatif, een Franse deelnemerschapslening, verstrekt door belanghebbende aan B SA. De kernvraag is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en of de vergoedingen uit de lening onder de deelnemingsvrijstelling van de vennootschapsbelasting vallen.
Belanghebbende stelde dat de omzetting van de prêt participatif in een Titre Subordinée à Durée Indéterminée (TSDI) met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 plaatsvond, terwijl de inspecteur stelde dat dit pas vanaf 22 december 1999 het geval was. Het hof verklaarde het standpunt van de inspecteur dat de omzetting pas op die latere datum plaatsvond als tardief en liet het buiten beschouwing, hetgeen door de Hoge Raad werd bekritiseerd wegens onvoldoende motivering.
De Hoge Raad bevestigde dat de vergoeding uit een deelnemerschapslening onder de deelnemingsvrijstelling valt en dat het hof terecht oordeelde dat de TSDI door belanghebbende in haar hoedanigheid van aandeelhouder is verstrekt. Tevens benadrukte de Hoge Raad het belang van het binnen de grenzen van de rechtsstrijd blijven en de taak van de rechter om ambtshalve feiten aan te vullen binnen die grenzen.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het standpunt van de inspecteur als tardief werd afgewezen en verwees de zaak terug voor nader onderzoek naar de feitelijke aspecten van de omzetting en de fiscale kwalificatie van de lening.
Uitkomst: Het middel van de Staatssecretaris is deels gegrond verklaard en de zaak is verwezen voor nader onderzoek naar de omzettingsdatum en fiscale kwalificatie.