ECLI:NL:PHR:2005:AR7350
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bankgarantie en opheffing conservatoir beslag bij geschil bouwovereenkomst
In deze zaak staat centraal of een schuldenaar verplicht kan worden aanvullende zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie nadat conservatoir beslag is opgeheven. De eiser had beslag gelegd ter zekerheid van een schadevordering uit een bouwcontract, maar de voorzieningenrechter stelde het beslagbedrag lager vast dan de eiser vorderde. De schuldenaar bood een bankgarantie aan ter hoogte van het lagere bedrag, waarop het beslag werd opgeheven.
In hoger beroep werd het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen, omdat de geboden bankgarantie onvoldoende was. De eiser vorderde vervolgens alsnog aanvullende zekerheid, maar het hof oordeelde dat zekerheidstelling een facultatieve mogelijkheid is en geen verplichting van de schuldenaar.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De verplichting tot zekerheidstelling kan niet worden afgeleid uit de wet of uit eerdere uitspraken. Ook de situatie dat het beslagobject aan een derde is geleverd, leidt niet tot een verplichting tot aanvullende zekerheid. De Hoge Raad benadrukt dat de schuldeiser andere rechtsmiddelen heeft, zoals het leggen van nieuw beslag op andere goederen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de schuldenaar niet verplicht is aanvullende bankgarantie te stellen.