ECLI:NL:PHR:2004:AR1717
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en reïntegratieproblemen
Eiser trad in 1971 in dienst bij Damco Bakkerijgrondstoffen B.V. en meldde zich in 1998 ziek. Na het verkrijgen van een ontslagvergunning door Damco werd zijn arbeidsovereenkomst in 2000 beëindigd. Eiser vorderde een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, stellende dat zijn arbeidsongeschiktheid het gevolg was van zwaar werk en onvoldoende reïntegratie.
De kantonrechter kende eiser aanvankelijk een vergoeding toe, maar bij verzet en hoger beroep werd deze aanzienlijk beperkt, mede vanwege het oordeel dat Damco geen verwijt trof omtrent het niet slagen van reïntegratie. De rechtbank oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid voortvloeide uit de ziekte en niet uit het ontslag zelf.
In cassatie betoogde eiser dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet gereïntegreerd kon worden en dat de zwaarte van het werk onvoldoende was meegewogen. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat Damco geen passende functie had en dat eiser onvoldoende had gemotiveerd waarom de oordelen van de Arbo-dienst en het GAK onjuist waren.
De Hoge Raad benadrukte dat de hoogte van de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag een billijke vergoeding betreft, waarbij de rechter ruime beoordelingsvrijheid heeft. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beperkte vergoeding gehandhaafd bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de beperkte schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag blijft gehandhaafd.