ECLI:NL:PHR:2004:AQ8932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over redelijke termijn bij internationaal opsporingsbevel en vervolging
In deze zaak stond de vraag centraal wanneer de redelijke termijn van vervolging ex artikel 6 lid 1 EVRM Pro aanvangt, met name of een internationaal opsporings- en aanhoudingsbevel als zodanig kan worden aangemerkt als een strafvervolgingshandeling die de termijn doet starten.
De verdachte was sinds begin 1999 op de hoogte van het internationale opsporingsbevel en het voornemen tot vervolging. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn reeds toen begon te lopen en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van deze termijn. Het hof oordeelde echter dat het bevel niet gericht is op de verdachte zelf maar op politie- en justitie-instanties en dat de termijn pas begon te lopen bij de kennisgeving van verdere vervolging in mei 2000.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door het opsporingsbevel niet als een strafvervolgingshandeling te beschouwen. Onder omstandigheden kan een dergelijk bevel wel degelijk de redelijke termijn laten aanvangen, zeker als de verdachte daarvan op de hoogte is en zijn situatie daardoor substantieel wordt beïnvloed. Desondanks wordt het verweer van niet-ontvankelijkheid verworpen omdat de termijnoverschrijding niet zodanig ernstig is dat dit tot niet-ontvankelijkheid leidt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de overschrijding van de inzendtermijn van het cassatieberoep gecompenseerd kan worden door een voortvarende behandeling, zodat ook dit middel faalt. De uitspraak van het hof wordt bevestigd en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk blijft ondanks de discussie over de redelijke termijn.