ECLI:NL:HR:2004:AQ8932
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Redelijke termijn bij internationaal opsporingsbevel en strafvermindering wegens termijnoverschrijding
In deze zaak stond centraal of de redelijke termijn van vervolging, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, aanving bij het uitvaardigen van een internationaal opsporings- en aanhoudingsbevel tegen verdachte. De verdediging stelde dat de termijn al begon bij het bevel in januari 1999, terwijl het hof oordeelde dat de termijn pas begon bij de kennisgeving van verdere vervolging in mei 2000.
Het hof verwierp het verweer dat het gerechtelijk vooronderzoek van juli 1999 de termijn deed aanvangen, omdat verdachte niet op de hoogte was van dit onderzoek en de huiszoekingen niet bij hem plaatsvonden. De Hoge Raad stelde echter dat het oordeel van het hof dat een internationaal opsporingsbevel niet de redelijke termijn kan doen aanvangen in zijn algemeenheid onjuist is. De redelijkheid van de termijn hangt mede af van de invloed van verdachte op het proces, zoals vrijwillige en onvoorwaardelijke medewerking.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. De bestreden uitspraak werd vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf betrof, die werd verminderd tot twee jaar en vier maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.