2. Voor een volledig overzicht van de feiten zij verwezen naar rechtsoverweging 2.2 van het vonnis van de rechtbank (waarbij op p. 5, derde alinea van onderen, in plaats van 1 januari 1989 moet worden gelezen 1 januari 1990; zie rechtsoverweging 4.2 van 's hofs tussenarrest). Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende (zie ook rechtsoverweging 4.3 van het tussenarrest van het hof):
[Betrokkene 1] en [betrokkene 3], tezamen ook: de ouders, waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij hadden drie kinderen: de dochter en de zoon (tezamen verder ook: de erven [betrokkene 1]) en nog een dochter [betrokkene 2], verder ook: de zuster.
Bij notariële akte van 19 april 1990 heeft [betrokkene 1] op twee van de tot de huwelijksgemeenschap behorende onroerende zaken (niet zijnde de echtelijke woning) tot een bedrag van f 770.000,- een recht van derdenhypotheek gevestigd ten behoeve van de Bank tot zekerheid van betaling van al hetgeen de zoon en Collection Cuir Mondial B.V. (hierna: CCM B.V.) alsmede twee andere bedrijven van de zoon aan de Bank schuldig waren of zouden worden. Op diezelfde datum heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] bij notariële akte volmacht verleend tot het namens hem verrichten van rechtshandelingen. De beide akten zijn ten overstaan van notaris [betrokkene 4] verleden ten huize van de ouders, waarheen [betrokkene 1] was vervoerd vanuit het ziekenhuis waar hij sedert 16 december 1989 verbleef nadat hij was getroffen door een cerebro-vasculair accident. Eveneens ten huize van de ouders was aanwezig de notarisklerk [betrokkene 5], die voor de hypotheekverlening optrad als mondeling lasthebber/gevolmachtigde van de Bank.
Bij notariële akte van 23 juli 1990 heeft [betrokkene 3] "handelende ten deze voor zich in privé en als schriftelijk lasthebster van haar genoemde echtgenoot" tot een bedrag van f 210.000,- een recht van hypotheek gevestigd op de echtelijke woning tot zekerheid voor de terugbetaling van een door de Bank aan de ouders te verstrekken krediet. Bij brief van 18 juli 1990 was aan [betrokkene 1] reeds een kredietaanbod gedaan in de vorm van een rekening-courant faciliteit van f 150.000,- onder de vermelding "Dit krediet zal in principe worden aangewend ter verstrekking van een lening aan uw zoon." [Betrokkene 3] heeft deze brief namens [betrokkene 1] en voor zichzelf voor akkoord ondertekend. Op 19 juli 1990 berichtte de Bank aan [betrokkene 1] onder meer dat de afschriften van de rekening-courant zouden worden toegezonden aan de zoon. Ook deze brief heeft [betrokkene 3] voor accoord ondertekend. Op 27 augustus 1990 is tussen de Bank en [betrokkene 1] een "algemene kredietovereenkomst" tot een bedrag van f 150.000,- gesloten. Deze overeenkomst is ondertekend door [betrokkene 3] namens [betrokkene 1] en door de zoon als "kredietnemer".
[Betrokkene 3] is overleden op 15 januari 1991; [betrokkene 1] is overleden op 26 maart 1991. De drie kinderen waren de enige erfgenamen. De dochter heeft de nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. De zuster heeft de nalatenschap verworpen.
CCM B.V. is op eigen verzoek op 22 januari 1992 failliet verklaard; de zoon is op verzoek van de Bank op 21 januari 1993 failliet verklaard. Dit laatste faillissement is bij vonnis van 14 april 1999 opgeheven.
Op 25 mei 1993 respectievelijk op 1 juni 1993 heeft de Bank de drie verhypothekeerde panden executoriaal verkocht. Nadat de eerste hypotheekhouders (niet zijnde de Bank) waren voldaan, is de restantopbrengst onder de executienotaris gebleven.