ECLI:NL:PHR:2004:AQ0537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de gemeentelijke regiefunctie en zelfrealisatie bij voorkeursrecht grond
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'regiefunctie' van gemeenten bij de toepassing van het voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). De gemeente Ridderkerk had een perceel aangewezen waarop het voorkeursrecht rustte en stelde zich op het standpunt dat een samenwerkingsovereenkomst tussen eigenaren en ontwikkelaar het voorkeursrecht ontweek. De rechtbank en het hof verklaarden deze overeenkomst nietig.
De Hoge Raad bevestigde het toetsingskader uit de zogenoemde november-beschikkingen, waarin is bepaald dat een overeenkomst die materieel gelijkstaat aan vervreemding het voorkeursrecht kan doorkruisen, tenzij de partijen bereid en in staat zijn de nieuwe bestemming te verwezenlijken en de gerechtvaardigde belangen van de gemeente daarbij voldoende zijn gewaarborgd. De regiefunctie van de gemeente omvat het recht om het bestemmingsplan zo in te richten dat verplaatsing van bedrijven mogelijk is en om voorwaarden te stellen die deze verplaatsing bevorderen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de belangen van de gemeente bij haar regiefunctie verder reiken dan louter het bestemmingsplan en dat de gestelde voorwaarden niet onredelijk zijn. De regiefunctie geeft de gemeente een ruime armslag bij het voeren van grondbeleid en kan het recht op zelfrealisatie van derden beperken. De klachten van verzoeksters dat de eisen van de gemeente disproportioneel waren, werden verworpen omdat zij onvoldoende onderbouwd waren en het belang van de gemeente als gerechtvaardigd werd erkend.
De uitspraak benadrukt dat het voorkeursrecht gemeenten in staat stelt om een regisserende rol te vervullen bij de realisering van bestemmingsplannen en dat zij voorwaarden mogen stellen die vergelijkbaar zijn met die welke zij zelf zouden stellen als eigenaar van de grond. Dit voorkomt dat eigenaren en ontwikkelaars het voorkeursrecht kunnen omzeilen door onderhandse overeenkomsten zonder dat de gemeente haar regiefunctie kan uitoefenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de nietigverklaring van de samenwerkingsovereenkomst vanwege schending van het gemeentelijke voorkeursrecht en regiefunctie.