ECLI:NL:PHR:2004:AP9666
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en rechtsgevolgen van opschortende voorwaarde in faillissementsregeling franchiseovereenkomst
Deze zaak betreft de uitleg van een opschortende voorwaarde in een overeenkomst tussen een curator en een franchisenemer binnen de RAAD-formule, een franchiseorganisatie van administratiekantoren. Na faillissement van RAAD-vennootschappen stelde de curator een voorstel tot gedeeltelijke kwijtschelding van schulden aan de franchisenemers, onder de voorwaarde dat ten minste 80% van hen het aanbod onvoorwaardelijk accepteerde. De franchisenemer [verweerder] accepteerde het aanbod, maar de 80%-voorwaarde werd niet gehaald.
De curator vorderde nakoming van de betalingsverplichtingen, stellende dat de opschortende voorwaarde slechts in zijn belang was gesteld en dat hij deze eenzijdig had kunnen laten vervallen. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vordering af, oordelend dat de voorwaarde niet was vervuld en dat de curator zich niet eenzijdig het recht had voorbehouden de voorwaardelijke overeenkomst om te zetten in een zuivere overeenkomst.
De Hoge Raad bevestigde deze lijn en verduidelijkte dat, volgens vaste rechtspraak (HR 10 maart 1967, Blonk/De Renkumsche Heide), het enkele feit dat een opschortende voorwaarde uitsluitend in het belang van een partij is gesteld, niet betekent dat die partij deze eenzijdig kan laten vervallen. De uitleg van de overeenkomst moet plaatsvinden volgens de Haviltex-maatstaf, waarbij de zin die partijen redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen centraal staat. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze maatstaf juist toepaste en dat het oordeel begrijpelijk is dat geen afdwingbare overeenkomst tot stand kwam omdat de voorwaarde niet was vervuld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de opschortende 80%-voorwaarde niet is vervuld en dat daardoor geen afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen.