ECLI:NL:PHR:2004:AP1534
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt ontoelaatbaarverklaring uitlevering aan Verenigde Staten wegens onjuiste toepassing vertrouwensbeginsel
De rechtbank Amsterdam verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten ontoelaatbaar omdat de Amerikaanse autoriteiten tapgegevens ontvingen zonder voorafgaand verlof van de Nederlandse rechter, wat volgens de rechtbank een schending van artikel 8 EVRM Pro opleverde. Tevens werd aangevoerd dat de VS geen partij zijn bij het EVRM en geen effectief rechtsmiddel bieden tegen schendingen van grondrechten.
De officier van justitie stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad overweegt dat het niet aan de uitleveringsrechter is om de rechtmatigheid van bewijsgaring in de verzoekende staat te toetsen, ook niet wanneer Nederland aan die bewijsgaring heeft bijgedragen. Het ontbreken van verlof tot afgifte van bewijs aan de VS is niet relevant voor de toelaatbaarheid van uitlevering.
Voorts stelt de Hoge Raad dat alleen de dreiging van een flagrante schending van een recht uit artikel 6 EVRM Pro tot ontoelaatbaarverklaring kan leiden, en dat de rechtbank ten onrechte ook schendingen van artikel 8 EVRM Pro en het ontbreken van rechtsmiddelen in de VS als grond hiertoe heeft aangenomen.
De Hoge Raad benadrukt dat het vertrouwensbeginsel inhoudt dat Nederland erop mag vertrouwen dat de VS fundamentele rechtsbeginselen respecteren, ook al zijn zij geen partij bij het EVRM. De rechtbank heeft dit uitgangspunt miskend. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar de Hoge Raad voor feitelijke behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek.