ECLI:NL:PHR:2004:AP0436
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding wegens seksueel misbruik door vader
De zaak betreft een vordering tot schadevergoeding wegens seksueel misbruik gepleegd door de vader op zijn dochter tussen circa 1978 en 1983 toen zij minderjarig was. De dochter startte de procedure in 1996, nadat zij in 1986 aangifte had gedaan en in 1989 een alimentatieprocedure voerde. De centrale vraag was of de vordering op 1 september 1994 al was verjaard volgens het oude of nieuwe verjaringsrecht.
De Hoge Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar uit art. 3:310 lid 1 BW Pro pas begint te lopen wanneer het slachtoffer daadwerkelijk in staat is om de vordering geldend te maken, wat in deze zaak niet eerder dan 1992 was, het jaar waarin de dochter met gerichte therapie begon. Daarmee was de vordering op 1 september 1994 nog niet verjaard.
Het hof had de vader veroordeeld tot betaling van €90.756, bestaande uit materiële schade en smartengeld. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten van de vader over het aanvangstijdstip van de verjaring, het causaal verband, de omvang van de schadevergoeding en de motivering van het oordeel over de psychische klachten van de dochter.
De Hoge Raad bevestigde dat de dochter voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door het misbruik en dat de toegewezen schadevergoeding billijk was, mede gelet op de draagkracht van de vader. Het cassatieberoep werd verworpen en de uitspraak van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot schadevergoeding wegens seksueel misbruik niet was verjaard en wijst de schadevergoeding van circa €90.756 toe aan de dochter.