ECLI:NL:PHR:2004:AO9558
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling en vergoedingsrechten bij echtscheiding buiten gemeenschap van goederen met natuurlijke verbintenis
De zaak betreft de verdeling van de netto verkoopopbrengst van een onroerende zaak tussen echtgenoten die buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd en na echtscheiding in geschil zijn geraakt over vergoedingsrechten. De man had het perceel gekocht en voor de helft aan de vrouw overgedragen. Na verkoop van het perceel ontstond discussie over de verdeling van de opbrengst en de vraag of de man recht had op vergoeding voor de door hem betaalde koopsom, bouwkosten en arbeidsinspanning.
De vrouw stelde dat de man door zijn prestaties had voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens haar, waardoor vergoedingsrechten vervallen. Het hof oordeelde dat de omstandigheden, waaronder het beëindigen van de dienstbetrekking van de vrouw, haar werkzaamheden in het bedrijf van de man, het ontbreken van een aanzienlijk vermogen en de zorg voor kinderen, wezen op een natuurlijke verbintenis. De man voerde verweer, maar kon onvoldoende aantonen dat geen sprake was van een natuurlijke verbintenis.
De Hoge Raad bevestigde dat de beoordeling van het bestaan van een natuurlijke verbintenis aan de feitenrechter toekomt en dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Ook de verrekening van de contante waarde van een spaarverzekering werd in mindering gebracht op het door de man opgevoerde bedrag. Het principaal cassatiemiddel werd verworpen, waarmee het arrest van het hof stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis waardoor vergoedingsrechten vervallen.