ECLI:NL:PHR:2003:AM2625
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van vliering bij appartementsrecht en rechtsopvolging na splitsing
In deze zaak gaat het om het geschil over het gebruiksrecht van een vliering behorende tot een appartementsrecht, na splitsing van een pand in twee appartementsrechten. Eiser is huurder van het bovenappartement en beroept zich op een overeenkomst uit 1986 waarin het gebruiksrecht van de vliering aan hem is afgestaan voor de duur van zijn huurovereenkomst. Verweerder is eigenaar van het benedenappartement en stelt dat hij als opvolgend eigenaar gerechtigd is tot medegebruik van de vliering.
De president van de rechtbank wees een vonnis waarin verweerder werd verboden toegang tot de vliering te maken, maar door procedurele fouten ontstonden twee vonnissen met dezelfde inhoud, waarvan het eerste in kracht van gewijsde ging. Het hof vernietigde het tweede vonnis en wees de vordering van eiser af. In cassatie staat centraal of het tweede vonnis als herstelvonnis kan gelden en of het gebruiksrecht van de vliering een persoonlijk recht is dat niet tegen de opvolgende eigenaar kan worden ingeroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat het tweede vonnis geen herstelvonnis is en dat het eerste vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het gebruiksrecht van de vliering een persoonlijk recht is, voortvloeiend uit een derdenbeding, dat niet tegen de opvolgende eigenaar kan worden ingeroepen. Daarmee wordt de vordering van eiser afgewezen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de mogelijkheid tot verbetering van kennelijke fouten in vonnissen.
Uitkomst: Het gebruiksrecht van de vliering is een persoonlijk recht dat niet tegen de opvolgende eigenaar kan worden ingeroepen; het cassatieberoep wordt verworpen.