ECLI:NL:PHR:2003:AL7037
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt loonbetaling ondanks nietig ontslag op staande voet bij beëindigingsovereenkomst
De zaak betreft een werknemer die in 1995 in dienst was bij Hema en met wederzijds goedvinden een beëindigingsovereenkomst sloot vanwege een reorganisatie. Kort na het sluiten van deze overeenkomst werd hij op staande voet ontslagen wegens het meenemen van goederen zonder betaling. Dit ontslag werd later door het hof nietig verklaard. De werknemer vorderde loonbetaling vanaf het ontslag tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hema stelde dat de werknemer geen loon verdiende omdat hij niet bereid was arbeid te verrichten.
Het hof oordeelde dat hoewel de werknemer niet bereid was arbeid te verrichten, Hema ook niet bereid was hem met de bedongen arbeid te belasten, waardoor de werknemer recht had op loon. Tevens werd de beëindigingsovereenkomst ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden, zonder terugwerkende kracht. De loonvordering werd gematigd tot het bedrag dat de werknemer zou hebben ontvangen bij uitvoering van de beëindigingsovereenkomst.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verduidelijkte dat het bereidheidsvereiste van de werknemer om arbeid te verrichten gerelativeerd is, vooral bij nietig ontslag. De werkgever moet bereid zijn de werknemer met arbeid te belasten; bij het ontbreken daarvan behoudt de werknemer recht op loon. De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen van beide partijen en handhaafde de loonbetaling en ontbinding van de beëindigingsovereenkomst zoals door het hof vastgesteld.
Uitkomst: De werknemer heeft recht op loonbetaling ondanks nietig ontslag op staande voet, omdat de werkgever niet bereid was hem met arbeid te belasten.