ECLI:NL:PHR:2003:AK8281
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van strafvonnis als dwingend bewijs in civiele procedure niet in strijd met recht op eerlijk proces
In deze zaak stond centraal de vraag of het gebruik van een bewezenverklaring uit een onherroepelijk strafvonnis als dwingend bewijs in een civiele procedure in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
De dochter had de vader civielrechtelijk aangesproken voor schadevergoeding wegens jarenlang seksueel misbruik, dat strafrechtelijk was bewezen in een eerder onherroepelijk arrest. De vader voerde aan dat toepassing van het strafvonnis in de civiele procedure zijn recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter zou schenden en dat hij nieuw tegenbewijs had aangeboden.
De Hoge Raad oordeelde dat het beginsel van een eerlijk proces niet vereist dat dezelfde feiten in twee procedures volledig opnieuw worden behandeld. De strafrechtelijke procedure biedt voldoende waarborgen, en het civiele proces kan gebonden zijn aan de bewezenverklaring uit het strafvonnis. Tegenbewijs is in de civiele procedure toegestaan, waardoor het beginsel van gelijkheid van wapens wordt gewaarborgd.
De klacht dat het hof nieuw tegenbewijs had gepasseerd werd verworpen, omdat het hof dit bewijsaanbod niet ter zake dienend achtte. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de bewijsregel van art. 188 Rv Pro (thans art. 161 Rv Pro) niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het strafvonnis als dwingend bewijs geldt in de civiele procedure zonder strijd met het recht op een eerlijk proces.