ECLI:NL:PHR:2003:AF9695
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel ondanks schenking van gestolen geld aan derde
In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage op 12 juli 2002 verzoeker veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 34.033,52 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met een vervangende hechtenis bij niet-betaling. Verzoeker stelde in cassatie dat een deel van het gestolen geld, namelijk f 100.000, was weggegeven aan een vriend, die wist dat het geld van misdrijf afkomstig was en zich daardoor schuldig maakte aan heling.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte niet gemotiveerd heeft gereageerd op dit verweer, maar dat dit verweer geen grond kan vormen om de ontnemingsmaatregel te verminderen. De schenking aan de vriend staat los van de diefstal en beïnvloedt de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de bestemming van het voordeel niet relevant is voor de ontnemingsmaatregel.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het hof terecht het bedrag heeft vastgesteld, waarbij het wel rekening hield met de draagkracht van verzoeker. De ontnemingsmaatregel blijft daarmee in stand, ondanks de besteding van een deel van het voordeel aan derden die strafbare feiten pleegden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel blijft in stand.