ECLI:NL:PHR:2003:AF8571
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering ondanks kritiek op plea bargaining in VS
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam die de uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten toestond wegens verdenking van medeplegen van handel in ecstasy. De verdediging voerde onder meer aan dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro, vanwege het Amerikaanse plea bargaining-systeem waarbij verdachten vaak onder druk een schuld bekennen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank het verweer terecht heeft verworpen, omdat er geen concrete feiten zijn aangevoerd die aantonen dat uitlevering daadwerkelijk tot een flagrante schending zal leiden. De beoordeling van dergelijke omstandigheden behoort toe aan de Minister van Justitie, die waarborgen kan bedingen bij de verzoekende staat.
Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat het Amerikaanse systeem van plea bargaining weliswaar kritiek kent, maar dat verdachten het recht op een jury trial behouden en dat de guilty plea wordt afgelegd voor een rechter die de vrijwilligheid controleert. Het beroep op schending van art. 6 EVRM Pro faalt omdat geen onaanvaardbare druk is vastgesteld.
Ten slotte bevestigt de Hoge Raad dat het stellen van voorwaarden aan uitlevering niet tot de taak van de uitleveringsrechter behoort, maar aan de Minister van Justitie. Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de Verenigde Staten blijft toelaatbaar.