ECLI:NL:PHR:2003:AE8092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting wegens niet aangegeven vergoeding en stakingsvrijstelling verfspuitactiviteiten
Belanghebbende, eigenaar van een garagebedrijf, ontving in 1993 een vergoeding van 60.000 gulden van de gemeente wegens het beëindigen van verfspuitactiviteiten binnen zijn onderneming. Deze vergoeding werd niet als winst uit onderneming aangegeven, terwijl een eerdere schadeloosstelling in 1990 wel was verantwoord als winst. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op met een boete.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende te kwader trouw was door de vergoeding niet als winst aan te geven en verwierp het beroep op de stakingsvrijstelling voor een gedeelte van de onderneming. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze oordelen.
De Hoge Raad stelt dat het hof het begrip kwade trouw in de zin van artikel 16, lid 1, tweede volzin, Awr onjuist heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd dat belanghebbende zich willens en wetens blootstelde aan de aanmerkelijke kans dat de vergoeding belastbaar was. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof een te enge maatstaf hanteerde bij de beoordeling van het staken van een gedeelte van de onderneming, waarbij het duurzame karakter en de omvang van de verfspuitactiviteiten onvoldoende zijn meegewogen.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor een volledige herbeoordeling. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige toetsing van kwade trouw en een correcte toepassing van de stakingsvrijstelling bij gedeeltelijke staking van een onderneming.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor nieuwe beoordeling.