Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 21 december 1982 betreffende de aan
H.G. Nordemannte
Krommenieopgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1979;
Hoge Raad
Belanghebbende, vennoot in een C.V. met meerdere filialen, had het filiaal te Uitgeest in 1975 gesloten wegens slechte rendementen. Het pand van dat filiaal werd toen verhuurd met een koopoptie, en in 1979 verkocht met een aanzienlijke boekwinst. Het geschil betrof de vraag of deze boekwinst viel onder de fiscale faciliteiten voor gedeeltelijke staking van een onderneming volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat de sluiting van het filiaal te Uitgeest een gedeeltelijke staking van de onderneming vormde, ook zonder duurzame inkrimping van de winstcapaciteit, en dat de verkoop van het pand in 1979 het sluitstuk van deze staking was. De inspecteur betwistte dit en stelde dat er geen duurzame inkrimping was, mede omdat het filiaal slechts 3% van de omzet vertegenwoordigde, en dat de verkoop van het pand een afzonderlijke transactie was.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof onvoldoende had onderzocht of de vennootschap na sluiting van het filiaal gelijksoortige activiteiten was blijven ontplooien, waardoor de onderneming economisch hetzelfde bleef. Dit oordeel was essentieel voor de kwalificatie van gedeeltelijke staking. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte niet had behandeld of de geringe omzet van het filiaal een duurzame inkrimping uitsloot.
Wegens deze gebreken vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van de gegeven richtlijnen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.