ECLI:NL:PHR:2002:AE8808
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke grondslag en verbindendheid Regeling fokverbod varkens II 1997
In deze zaak staat de vraag centraal of de Regeling fokverbod varkens II 1997 een geldige wettelijke grondslag heeft op basis van artikel 17 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) had eerder geoordeeld dat artikel 17 alleen Pro bevoegdheden toekent tot het bevelen van actieve handelingen ten aanzien van dieren, zoals inenten en opsluiten, en dat de Regeling fokverbod varkens II 1997 onverbindend is omdat deze verbodsbepalingen bevat die niet als actieve handelingen kunnen worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt echter dat het bevelen van maatregelen ook het opleggen van verboden kan omvatten en dat de Regeling fokverbod varkens II 1997 binnen de bevoegdheid van artikel 17 valt Pro. De wetsgeschiedenis en de latere wijziging van artikel 17, waarin expliciet een fokverbod is opgenomen, ondersteunen deze interpretatie. Daarnaast is het fokverbod niet in strijd met het communautaire recht zoals neergelegd in Richtlijn 90/425/EEG.
Verder oordeelt het hof dat verdachte terecht is veroordeeld voor het houden van een drachtig varken binnen het gebied waar het fokverbod geldt, omdat zij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om bevruchting te voorkomen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen omdat verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat de drachtigheid vóór de inwerkingtreding van de regeling is ontstaan.
De Hoge Raad verwerpt de middelen van cassatie en bevestigt daarmee de geldigheid van de Regeling en de veroordeling van verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van het fokverbod en verwerpt het beroep van verdachte.