ECLI:NL:PHR:2002:AE3490
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ontuchtige handelingen met minderjarige
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 13 jaar, waaronder het betasten van haar borsten en vagina en het binnendringen met een vinger. De verdachte voerde in cassatie aan dat de handelingen niet ontuchtig waren omdat het initiatief van het slachtoffer kwam en dat weerloosheid een impliciet bestanddeel van het delict zou moeten zijn.
De Hoge Raad verwierp deze stelling en bevestigde dat de wetgever met de term 'ontuchtige handelingen' in art. 245 Sr Pro beoogde een brede bescherming te bieden aan minderjarigen, waarbij hun minderjarigheid al een sterk aanknopingspunt vormt voor het ontuchtige karakter van de handelingen. Alleen specifieke omstandigheden, zoals een gering leeftijdsverschil en wederzijds vrijwillige contacten, kunnen dit anders doen beoordelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het bewijs, waaronder verklaringen van verdachte en slachtoffer, toereikend was om de bewezenverklaring te ondersteunen. De klachten over onvoldoende motivering en het initiatief van het slachtoffer werden verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor ontuchtige handelingen met een minderjarige blijft in stand.